Hoppakee, ik heb mijn eerste alligator gespot. Even bekroop me de angst dat ik Florida zou verlaten zonder een van de 1,7 miljoen aanwezige units in de ogen te hebben gekeken, maar dit bleek onterecht. Toegegeven, het was niet het grootste exemplaar dat moeder natuur ooit heeft voortgebracht, maar het telt.
donderdag 28 oktober 2010
Alligator
maandag 18 oktober 2010
Octopus en Oktoberfest
De Amerikaanse cultuur is een samenraapsel van gewoonten en tradities uit allerlei landen, vermengd met een paar inheemse ingrediënten. Om dit te illustreren een greep uit mijn weekendbezigheden.
Op een zondag vraagt Andy of ik zin heb om na de kerkdienst met hem mee te gaan naar een Koreaanse bruiloftreceptie. Prima, waarom ook niet? Bij binnenkomst wordt ik verwonderd aangegaapt door zeventig paar spleetoogjes die zich gemiddeld veertig centimeter lager bevinden dan de mijne. Ik blijk opeens een van de hoofdgasten te zijn, omdat de bruidegom Andy’s (stief)zoon is, wat me het voorrecht geeft om aan dezelfde tafel te mogen plaatsnemen als het in klederdracht gestoken bruidspaar. Er worden verscheidene speeches afgestoken in vloeiend Koreaans, maar ik laat me niet kennen en lach en klap vrolijk met de rest mee. Mij zullen ze niet krijgen.
Nou ja, toch wel, zo blijkt bij het lopend buffet. Het eten dient met stokjes te worden opgeschept en het is zo glibberig dat het met een fikse Hollandse lepel al een hele opgave was geweest, laat staan met chopsticks.
Terwijl heel Korea mij en mijn geklungel vriendelijk staat uit te lachen, wordt er gelukkig van alle kanten een helpende hand toegestoken om mijn bord zonder pardon fanatiek vol te scheppen met de meest exotische hapjes, variërend van garnalen in zoetzure saus tot duidelijk definieerbare octopuspoten. Het leeg krijgen van hetzelfde bord gaat een stuk langzamer, maar gelukkig ontwikkelen mijn stokjesskills zich exponentieel en werk ik binnen afzienbare tijd alles braaf naar binnen.
Op de zaterdag erna ga ik naar een Oktoberfest met jongens uit Chili, Peru, India en Pakistan, en twee Colombiaanse zusjes. Door een ongelukkig toeval beland ik in de afgeragde Mitsubishi Lancer van de laatste twee en ben ik gedurende en half uur mijn leven niet zeker. Auto starten, gas geven, oeps, verkeerde versnelling, schakelen, weer gas geven, volle bak remmen voor een bijna-niet-geziene auto die voorrang heeft, invoegen, nog meer gas geven. De telefoon gaat. Zusje achterbank neemt op en geeft hem aan zusje stuur. Het zijn de jongens in de andere auto, ze weten niet waar we heen moeten. Deze weg een half uur volgen en dan afslag 22 nemen, luidt het devies. Verder rijden, weer telefoon, weer dezelfde jongens, weer dezelfde vraag. Ook weer hetzelfde antwoord, nu een twintigtal decibel luider en geschreeuwd met één hand aan de telefoon en de ander aan het stuur, tijdens het diagonaal oversteken van een druk kruispunt, omdat aan de overkant daarvan tien milliseconden eerder een tankstation werd gesignaleerd. Ik vraag voorzichtig of ik misschien de telefoon vast moet houden, maar mijn verzoek wordt weggewuifd: nergens voor nodig, zusje stuur kan prima bellen, schakelen, sturen, richting aangeven, remmen, koppelen, gas geven en uitkijken tegelijk. De aan alle kanten remmende auto’s doen mij hieraan twijfelen en ik ben blij als we even stilstaan en mijn ademhaling weer op gang komt. Maar nauwelijks zijn we weer op weg of de infantielen bellen nogmaals, tijdens het invoegen op een drukke vierbaansweg. Ik overweeg ze aan te klagen voor indirecte poging tot doodslag, maar gelukkig is het geduld van zusje stuur op en in ratelend Spaans scheldt ze hen vakkundig de huid vol.
Dit wordt klaarblijkelijk begrepen, waardoor we heelhuids aankomen bij het festival. Daar verwacht ik lange houten tafels aan te treffen met Duitsers die halve liters bier naar binnen gieten en met hun mond vol braadworst Schlager-muziek zingen, maar niets is minder waar. Ik zie een rustige multiculturele menigte die zich opsplitst voor de vijfentwintig stands waar verschillende Amerikaanse, Tsjechische en Engelse biersoorten te proeven zijn. Het aanwezige bandje speelt countrymuziek, het eten bestaat uit steaks, taco’s en suikerspinnen en het is zo'n 24 graden Celcius. Welkom in de United States!
maandag 11 oktober 2010
I want to ride my bicycle, I want to ride my bike…
Er zijn hier in Tampa drie gebruikelijke manieren om van A naar B te komen: met de auto, met de auto en met de auto. Werkelijk alles draait hier om deze stukken blik en in het land met de grootste Hummerdichtheid ter wereld geldt letterlijk: size matters. Als ik me in de geleende, gedeukte en roestige Chrysler van Loïs op de weg begeef wordt ik vanuit menig slee meewarig aangekeken. Alles kleiner dan een pick-up wordt hier als minuscuul en minderwaardig gezien. Ter illustratie: In mijn eerste week kan de vrouw van m’n begeleider me een lift geven naar huis. De hele parkeergarage lang biedt ze haar verontschuldigingen aan voor haar kleine auto en net als ik verwacht dat ik mijn één-meter-zesennegentig in een 45-km autootje moet gaan vouwen, drukt ze op haar sleutelbos en met het karakteristieke bliepbliep en knipperende lichten ontgrendelen de deuren van een Audi A-6 waar zelfs een fikse sumoworstelaar drie keer in zou passen. Ik heb me laten vertellen dat de gemiddelde auto hier omgerekend 1 op 7 rijdt, maar in een land waar je voor tien liter benzine evenveel betaalt als voor een halve liter bier is dat geen enkele reden om in andere manieren van vervoer te investeren.
Dit heeft tot gevolg dat de (gewone) bussen minder dan eens per uur rijden. Nu is dat voor een Nederlandse student natuurlijk geen reden om ze niet eens uit te proberen en op een mooie zomerochtend in oktober rijd ik mijn geleende fiets naar de bushalte, waar na een paar minuten een uit de kluiten gewassen koektrommel aan komt rijden. Netjes op tijd, dat dan weer wel. Ik zie tot mijn verassing dat het mogelijk is fietsen op een rek voorop te zetten en ik besluit de proef op de som te nemen en mijn exemplaar hierop te planten. Vanwege het rijgedrag van de chauffeuse (het is echt waar), ben ik drie drempels lang als de dood dat mijn stukje Neerlands trots voorover zal tuimelen en onder de voortdenderende wielen zal worden vermorzeld, maar het systeem werkt wonderwel en aan het eind pluk ik mijn stalen ros weer van de bus en vervolg mijn route op twee wielen.
De hele weg fietsend afleggen heeft echter nog steeds mijn voorkeur en de twaalf kilometer naar de USF campus overbrug ik dan ook meestal op een hier ongebruikelijke manier. Fietspaden kent men hier niet en ik wordt geacht gewoon op de weg te rijden. Hiermee bezorg ik mijn medeweggebruikers flinke vertraging, maar waar me dit in Nederland mening middelvinger en bijna-doodervaring zou hebben opgeleverd, blijft men hier angstvallig achter me rijden tot er genoeg wegdek vrij is om me met drie meter tussenruimte te passeren. Er is dan ook niets leukers dan rustig in het midden van de rijbaan te fietsen, een blik over m'n schouder te werpen en de steeds langer wordende karavaan van rijke stinkerds in hun stapvoets rijdende glimmende bolides vriendelijk toe te knikken. Ik zal ze krijgen, de patsers.
dinsdag 5 oktober 2010
Vakantie?
Ik moet even iets rechtzetten. De laatste tijd word ik overstelpt met
vragen als: jij was toch in Florida voor onderzoek? hoe gaat het eigenlijk met je afstuderen? en: wanneer ga je beginnen met je studie daar? Door mijn vorige berichten is kennelijk bij sommigen het onterechte vermoeden gerezen dat ik hier alleen maar ben om te luieren en vakantie te vieren. Ha, stel je voor: alleen maar luieren en vakantie vieren. Alsof je daarvoor naar Florida gaat, alsof je daarvoor student bent...
Gek genoeg is bovenstaande tot nu toe ook nog waar gebleken en heeft het recreatieve zich vooral beperkt tot de avonden en de weekenden. Wat ik overdag doe? Studeren, keihard studeren.
Maar zover is er nog niet, eerst moet er wetenschap worden bedreven. Dit speelde zich in mijn eerste week hier af in het schitterende Tampa Convention Center, waar ik deelnam aan een conferentie van de American Planning Association en contacten heb gelegd voor mijn later af te nemen interviews. De weken daarop heb ik doorgebracht op de University of South Florida, een universiteit met veertigduizend studenten en een subtropische campus die ongeveer net zo groot is als de stad Wageningen. Dit laatste is grotendeels te wijten aan het feit dat de helft van de campus bestaat uit parkeerterrein, om de tienduizenden auto’s van studenten en docenten te herbergen. Tussen die parkeerterreinen bevindt zich het Engineering III gebouw, waar ik een afstudeerruimte deel met twaalf andere studenten, grotendeels ook buitenlands.
Om al die mensen op te zoeken zal ik de komende weken heel het zonnige Tampa moeten doorkruisen. In mijn auto met airco, zonnebril op mijn hoofd en een fijn muziekje op de achtergrond, intussen genietend van de subtropische omgeving. Het lijkt wel vakantie.
Abonneren op:
Posts (Atom)